Geen probleem

Tijdens de oudergesprekken spreek ik alle kinderen met hun ouders. Een moment waarop we samen stil staan bij de ontwikkeling van de kinderen. In november zit Ninke (groep 7) tussen haar ouders aan tafel.

We hebben met elkaar gesproken over haar welbevinden en betrokkenheid. Ze maakt het goed, vindt het fijn in de klas met de kinderen en mij en leert elke dag wel iets nieuws vertelt ze. Ook haar ouders zijn tevreden. Ik ook, al is me wel opgevallen dat Ninke erg veel vragen stelt en dan bedoel ik met name vragen over dingen die ze zelf weet. Bijvoorbeeld over een som, waar ze nadat ik haar vraag of ze de opdracht gelezen heeft, ineens wel mee vooruit kan. Maar ook of ze haar fruit mag pakken, terwijl we afgesproken hebben in de klas dat iedereen eet en drinkt wanneer je daar zelf behoefte aan hebt. En of ze op de gang mag werken, hoewel dat bij iedere opdracht vermeld staat en zelfs of ze naar de wc mag. Alsof ik dat bepaal wanneer je het echt niet meer op kunt houden. Ik denk dat het haar onzekerheid is die maakt dat ze vaak een vraag komt stellen en ik zou haar willen leren hoe ze wat meer op zichzelf leert vertrouwen.

Ik vraag Ninke waarom ze zo vaak een vraag stelt waarvan ik denk dat ze zelf het antwoord kent. ‘Dat vind ik fijn.’ ‘Wat vind je fijn aan vragen stellen?’ ‘Ik vind het fijn om het zeker te weten.’ ‘Ja,’ vult haar vader aan, ‘dat doet ze thuis ook.’ Ninke heeft geen broers of zussen. Vader vertelt dat hij en zijn vrouw daarom ook alle tijd hebben om haar vragen te beantwoorden. Maar ik niet, geef ik aan. Ik heb geen tijd om alle vragen te beantwoorden, omdat ik ook nog zoveel andere kinderen in de klas heb. ‘Dat weet ik’, zegt Ninke, ‘dat merk ik dan ook aan jou.’

Ai, ik had niet door dat het zo zichtbaar was. Ik geef aan dat ik haar graag wil leren om wat meer antwoorden bij zichzelf te zoeken. ‘Wil je leren om minder vaak een vraag te hoeven stellen, Ninke?’

‘Nee, ik vind het eigenlijk wel goed zo, ik vind het fijn om vragen te kunnen stellen aan jou.’ Daar had ik niet op gerekend, ik had verwacht dat ze zelf ook wat autonomer wilde zijn. ‘Oh,’ reageer ik en ik ben even stil. ‘Maar ik kan en wil niet iedere vraag beantwoorden. Soms ben ik met een ander kind bezig en dan kan ik geen aandacht aan jou geven.’ ‘Dat weet ik,’ antwoordt Ninke, ‘en dat vind ik niet erg. Als ik zie dat je geen tijd hebt, dan ga ik wel even met iets anders verder.’ En ze kijkt me rustig aan.

Waar ik een probleem zag, zag Ninke dat niet. Hier is het kind het antwoord op de actuele situatie. Er is dus geen probleem.

En over drie maanden, dan vraag ik het gewoon nog eens.

Ellen Emonds

 

Reacties zijn gesloten.