Drie keer vijf minuten

Hij hing over de tafel heen, met z’n knieën op z’n stoel. “Tim, ga eens zitten op je stoel.” “Ik zit, want mijn voeten raken de grond niet, dus ik sta niet en dan moet ik wel zitten.”
Goed, zo start hij dus vandaag.

Na vijf minuten schiet hij propjes papier naar de jongen tegenover hem. “Tim, wil je daar mee stoppen, ik heb er last van.” Een diepe zucht klinkt en daarna een geërgerd ‘okeeeeeee…’.

Na weer vijf minuten is iedereen aan het werk en ligt Tim te zuchten over de tafel en plaagt hij z’n buurjongen door zijn schrift steeds te verschuiven. Ik ga naast hem op mijn hurken zitten en zeg zachtjes: “Tim, kan ik misschien even met je praten?” Hij kijkt me niet aan en mompelt: “Als dat moet…” “Ik hoopte dat jij me misschien kan helpen, het gaat helemaal niet zo goed met me.” Nu kijkt hij wel. Ik vervolg: “Ja, merk je dat dan niet? Ik reageer zo geïrriteerd, ik vind alles vervelend. Weet jij misschien wat ik kan doen?” Tim kijkt me even aan en vraagt vervolgens of ik lekker geslapen en goed ontbeten heb. Ik knik van ja en vraag of hij er ook wel eens last van heeft. “Ja, dat heb ik ook wel eens ooit. Meestal gaat het na een half uurtje vanzelf over, bij jou vast ook.” Ik bedank hem voor het gesprekje en ga rustig aan het werk. Tim doet hetzelfde. Na vijf minuten kijken we elkaar aan en geef ik hem een knipoog. Ik krijg er meteen eentje terug.

Ellen Emonds

Reacties zijn gesloten.